Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haren en half-open borst kwam op hem af en vroeg, schijnbaar onderdanig: „wat zal meneer de graaf gebruiken?... Champagne hebben we hier niet!"

Een ruw gelach ging op na deze woorden, en aller blikken waren op hem gericht.

„Geef me een glas bier," antwoordde hij beleefd, en ging kalm in een hoekje zitten, waar een leege stoel stond. Hij begon nu te begrijpen, dat het verkeerd van hem was geweest, hier in dit costuum van heer te komen, in plaats van zich als een verloopen artiest voor te doen. Hij voelde zich weer klein en nietig in al dat grove, bruyante om hem heen. Al die mannen hier hadden zware stemmen en breede gebaren. Zij hadden groote snorren en baarden, en wilde, roode gezichten. Een hard, scherp gelach klonk uit hen op, en zij zetten hun glazen neer met een woesten slag op de tafel. Hij voelde, dat het enkele feit van zijn hier binnen komen, als welgekleed, beschaafd heertje, hun vijandig moest zijn.

Het leken allen zoowat mislukte artiesten, zooals hij er wel eens in illustraties had gezien, en op spotprenten bij Marcelio.

Hij keek aandachtig rond, of hij ergens iemand zien zou, die Lavelane kon zijn, maar geen der gezichten, die hij een voor een bekeek, leek hem toe, dat van den grooten dichter te kunnen zijn.

„O hé, meneer de graaf!" riep er een, spottend,

Sluiten