Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb Lavelane's verzen gelezen, en ik houd van hem en vereer hem. Dat moet genoeg zijn."

Juist wilde het bleeke jongemensch nog wat zeggen, toen de deur openging, en van het tafeltje, van waar hij gekomen was, de kreet opging : „De Meester!... de Meester !"

En Paulus zag een groote, zware gestalte, ietwat waggelend, gebogen van zwakte, met een rood, dreigend titanen-hoofd, wild-zinnelijk, waaruit twee zachte, licht-blauwe heiligen-oogen vreemd voor zich uitstaarden, als in vage verten. Het was een sensatie, die hij zijn geheele leven niet meer zou vergeten, die angelieke oogen, vreemd en bijzonder, in dat roode, sensueele gezicht. En hij voelde het dadelijk, bij intuïtie: dit moest Lavelane zijn.

Een groote, zware, woest uitziende meid stoof uit een hoek op hem af, en vloog hem om den hals, hem ruw zoenend, dat het klapte, en een gejuich steeg op van het tafeltje. Zóó werd de groote dichter ontvangen door het troepje ratés en bohémiens, die hem huldigden als hun Meester, waar de officiëele machthebbers van de literatuur hem hadden uitgestooten als een paria. En Paulus dacht ineens aan Wederich, vroeger Lavelane's vriend in de misère, nu deftig, gedecoreerd, tusschen het officiëele poenendom in rok en witte das.

Dadelijk werd een groot glas absinth voor den

Sluiten