Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paulus voelde een groot medelijden in zich opschreien, maar tegelijkertijd bedacht hij met vreugde, dat die ongelukkige dichter in die misère toch beter af was, dan Wederich, die het heiligste had verloochend, om wat rijkdom en wat roem en wat eer. En die schooierachtige kerels om hem heen, décadenten en ratés als zij waren, leken hem, juist om hun armoede, toch in elk geval sympathieker, dan de deftige, officiëele professoren en doctoren van de letterkunde en de wetenschap, die het mooie en edele beoefenden als een vak, en zoo koud-geleerd, zonder emotie, konden spreken over kunst. Zij gaven zich tenminste zooals zij waren, en hun vloeken en gemeene woorden kwetsten hem niet zoo zeer, als de verfijnde, quasi-geestige obsceniteiten, die hij had gehoord van de deftige oude heeren in rok en witte das.

Het was een ruw taaltje dat zij spraken, dat hoorde hij wel. Om het andere woord klonk een vloek, of een grof brok jargon. Maar hun gebaren, wild als zij waren, leken hem eerlijk, en hun gezichten stonden oprecht, zonder achterhouding en veinzerij.

In 't eerst sloeg het troepje geen acht meer op Paulus, en kon hij, vanuit zijn hoekje, Lavelane rustig gadeslaan. Maar later kreeg het bleeke jongemensch, met het prachtige voorhoofd, hem weer in het oog, en Paulus zag dat hij Lavelane op hem opmerkzaam maakte. De dichter scheen er zich niets van aan te

Sluiten