Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een onschuldig maagdelijn Gods, weerspiegelden zijn reine, vlekkelooze ziel. Het was hem, of hij in de lichte hemelen zag.

„O! zeg dat niet!" riep hij, hartstochtelijk. „Wat kunnen mij die mannen schelen van „Het Morgenrood," en heel de officiëele bende, nu ik in üwe oogen heb

mogen zien? denk toch niet klein van mij

ik ben nu vrij, héélemaal vrij! ze hadden mij

gevraagd, die menschen, doctoren, en professoren... om een groote, rijke tafel zaten zij, in rok en witte

das, als beursmannen en bankiers en naast mij

zat Wederich, die zijn ziel heeft verkocht, met een

lorrig lintje in zijn knoopsgat o! ik zat daar

maar heel klein en heel nietig, tusschen al die groote heeren .... totdat ze het waagden, üwen naam te noemen, Lavelane, en ze durfden spotten en hoonen mijn liefsten, grootsten dichter van het land, en toen..."

»— En toen?...." riepen allen om het tafeltje, in

groote spanning

»— En toen toen ben ik opgestaan ik kón

niet meer.... ik zou krankzinnig zijn geworden.... toen heb ik het hun gezegd, wat ze waard waren, de hééle bende.... en dat ik me schaamde met hen aan te zitten .... en ik ben weggegaan, om mij niet

langer te besmetten "

Een luid gejubel barstte los.

11

Sluiten