Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het idee bij hem opgekomen, dat anderen dan hij ze ééns zouden lezen. Maar nu hij zelf veel óver verzen gelezen had, en zoowat in de literatuur was gekomen, wist hij zich ook rekenschap te geven waaróm en hoé iets mooi was, en nu voelde hij, dat die verzen van vroeger, uit zijn eenzaamheid, werkelijk kunst waren. Met liefde schreef hij ze alle over, veranderde hier en daar nog iets, voelde een nieuw vers in zich opklinken, dat hij er bij voegde. Hij wilde ze nu in één bundel verzamelen, en de uitgever van „De Prins en de Fee" was dadelijk bereid ze aan te nemen nog vóór hij ze gelezen had, enkel omdat de naam Paulus nu eenmaal gemaakt was. Maar eerst wilde hij ze aan Lavelane geven voor zijn tijdschrift. „De Lotus" was in de laatste jaren sterk achteruitgegaan, en had de grootste helft van haar abqnnés verloren, sinds Wederich en Wartenau en anderen uit de redactie waren getreden. Lavelane alleen was overgebleven met een troepje décadenten. Wie nü in „De Lotus" schreef was door dat enkele feit zelf al een raté, een mislukte, die altijd een derde rangs artist zou blijven, en door de officiëele literatuur genegeerd zou worden. Maar juist daarom vond Paulus het nu heerlijk, zijn verzen in datzelfde tijdschrift te publiceeren. Hij wist dat het Lavelane goed zou doen, en hij - was er trotsch op nu met de verdrukten en de verongelukten samen te werken.

Sluiten