Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zwarte Moscoviër schaamteloos zijn arm durfde leggen om den witten, teêren schouder van de blanke prinses. Het was als een brutale inbezitneming, een ontwijding, ten aanschouwe van het gansche volk.

Maar de dronken drommen beneden werden als dol door deze familiare konings-vertooning vóór hun schennende oogen. Een nieuw gebrul huilde op van beneden, hooge gillen sneden door de lucht, hoeden werden omhoog geworpen, vuurzwermen knalden.

De witte prinses neigde en neigde, wuifde en wuifde, teêr en frêle onder den zwaren arm van den ruigen reus, die bóven haar oprees, triomfantelijk, domineerend....

Toen sloeg Paulus de handen voor de oogen, om niet meer te zien, wendde zich ijlings om en holde, als een krankzinnige, terug, den weg dien hij gekomen was. Dit was te véél... dit was het allerlaatste... nu kón hij niet meer ... nu was het uit... nooit, nooit zou hij meer kunnen wonen in deze stad van ontwijding en verschrikking, waar alles was verrot en bedorven ... o wèg, wèg nu ... lucht!... lucht!... reine, frissche lucht van boomen en van bloemen... de vunze adem van al die verhitte, dronken kerels stonk nog om hem heen... wèg nu toch, wèg, voor goed... vèr van al die menschen, van die beesten, die zich lieten trappen en getrapt wilden zijn, door hun lagen, servielen aard... o! hij stikte, als hij

13

Sluiten