Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stad mocht op hem blijven. De doop moest hem ganschelijk verreinen.

Na een half uur te hebben gezwommen, bracht hij zijn kleeren naar de overzijde en kleedde zich daar aan. En zooals een vrome geloovige in een tempel treedt liep hij langzaam het Bosch in.

De Lente was juist over de boomen gegaan, en in het maagdelijke, nog wat licht-getinte groen bloeiden roze en blanke kleuren van bloesems. De bladeren waren nog uiterst fijn en teêr, en hadden zich zóo ontplooid, voorzichtig, of ze eigenlijk nog niet goed durfden. Hij trad in een groote, universeele innigheid van jong, gezond leven, en voelde er een rilling van door zijn lichaam gaan. Diep haalde hij adem, en voelde de verreining van de zuivere, onbedorven boschlucht, geurig van bloeme-aromen, na de bedompte atmosfeer van de stad. — Zooals het water zijn huid verfrischt had, reinigde nu de pure lucht zijn borst en longen. Een groote kracht zwelde in hem op, hij strekte de armen uit, als om te omhelzen, en begon onbewust te zingen, een lied van vroeger, door den drang naar uiting van zijn geluk, zooals ook wel een vogel doet, blij om het leven en het licht.

Bij een paar houthakkers in een hut vroeg hij naar den weg, en vertelde hij van Willebrordus, die daar ergens, diep in het Bosch, moest wonen. Zij herinnerden

Sluiten