Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wereld was een wonder van liefde, en een genade, oneindig, was het Leven, in de reine, ontzaglijk rijke Natuur! Hij voelde de koele boschlucht in zijn longen komen, en een groote kracht zijn uitgeruste lichaam sterken. Hij had mede willen zingen met de vogels, uitjubelen zijn genot, iets vast aandrukken aan zijn hart, om zijn innigheid te geven.

Toen dacht hij, opeens, aan de verre nachtmerrie van de stad, die nu leek uit een boozen, voozen droom. Hoe was het mogelijk, waar het buiten zóó rijk was en zóó goed, dat daar, ver, ergens menschen leefden in duffe, steenen gebouwen, tusschen koude, zwijgende muren, dat er duizenden verdorden en verkwijnden in dampige, vunze fabrieksholen, en diep in 't donker van de onderste aarde, waar bóven ontloken de wonderen van 't groen! Kijk! daar groeiden aardbeien en bessen! Hij plukte er van, en snoof haar zoeten geur op, en voelde ze smelten op zijn verfrischte tong. O! Heerlijk, heerlijk, die vruchten, als je ze zóó kon plukken van de goede aarde, dat niets van hun innigheid was vergaan! En hoor! Was dat niet een merel, die daar floot met sonore orgeltonen boven zijn hoofd?

In de takken boven zich zag hij den slanken, zwarten vogel, en hij kon zijn diep-ademend keeltje zien bewegen. Dit glanzende vogeltje was bevangen door de jonge morgenlucht en het jonge licht, en in

Sluiten