Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

helder geörgel, met klare, sonore klanken, zong hij zijn lied.

Paulus had in langen tijd de merel niet hooren fluiten, en het ontroerde hem diep, als de nachtegaal, dien hij dien nacht gehoord had, niet zóó hartstochtelijk-innig, als een vlammenbrand van geluid, maar rustiger, sereener, als een devoot gebed. Hoor! Hoe vol die tonen aanzwelden, hoe gansch volmaakt ze orgelden, rijp van innigheid!

Een eind van hem af begon een andere een tegen-keer te zingen. En hoor! daartusschen het zangerig getink van een vink! En daar een, en daar weêr een, en de heldere slag van de grauwe lijster! Heel het woud was vervuld van muziek, die de zaligheid van te leven, in 't licht en in de lucht, uit honderden vogelenkelen drong. En o! wat hoorde hij daar ginds, nu hij aandachtig stond te luisteren, een hand aan 't oor ?... Daar klaterde het vertrouwelijk gepraat van een beekje langs de steenen, het oude, klare beekje, dat altijd maar aan 't vertellen was, en van geen zwijgen wilde weten. Hij hoorde het water kletteren over den rotsigen grond daar, en dan wègmurmelen, zachter en zachter, als een man die neuriënd in de verte verdwijnt. Zóó had dat rustelooze beekje altijd door geklaterd, toen hij weg was geweest, en nü riep het hem weer, met zijn oude, wèlbekende stem. Het was hem, of hij een vriend

Sluiten