Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zóó, kerel... dat is braaf van je, dat je gekomen bent... nét op tijd, hoor!... nu zal je ook gróóte dingen gaan zien, hoor... waar je van zult ópkijken .. . Wat léés je daar?... Aha, over je verzen ! Ze hebben je leelijk toegetakeld, hè?... Dat kómt er van, als je uit den officiëelen band springt... er blijft niet veel van je over, beste jongen ... maar dat is niets, hoor, dat komt later allemaal wel weer terecht... de literatuur en de kunst zijn nü bijzaak... daar hebben we nü geen tijd voor... laat ze maar flikflooien en opkammen en lasteren en schelden onder mekaar... maar nü staan er héél wat gróóter dingen te gebeuren ... kerel, kerel, weet je wat?... raad eens!..."

En hij greep zijn jongen vriend geestdriftig bij den arm.

Paulus zag hem verbaasd aan. Zóó hartstochtelijk had hij hem nog nooit gezien. Maar wat was hij bleek, en wat zag hij er afgemat uit! Diepe, blauwe kringen waren om zijn oogen, en scherpe trekken teekenden zich af om mond en neus. Zijn oogen schitterden van een vreemden, koortsachtigen glans.

„— Maar Elias, wat zie je er uit, wat schéélt je?"

„Mij? Niets hoor! Een beetje in de weer

geweest de laatste dagen, wat veel gewerkt twee

nachten niet geslapen, dat is alles! dat is van net

zoo weinig belang, als dat gewurm in de literatuur...

Sluiten