Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te pletter slaan tegen den onwankelbaren muur van

onze organisatie Je hebt zeker wel eens een parade

gezien, nietwaar, mijn beste jongen? zoo mooi

hé, al die duizenden mannen, door één kracht bezield die allen tegelijk gehoorzamen aan één leidende gedachte.... allen keurig in 't gelid, in orde en regelmaat Welnu, zóó is onze organisatie nu, maar

véél schooner, véél wonderbaarder, omdat de mannen elkaar niet ééns allen zien, en de generaal ze ook niet allen overzien kan.... Kerel, kerel, wat breekt

er een glorieuse tijd aan! "

Elias liep van opgewondenheid met groote stappen door de kamer. Éven zweeg hij, maar hij was nog te vól van de groote plannen, en ging door:

„Morgen wil meneer de bourgeois zijn broodje oppeuzelen, en zijn krant lezen . . . er is geen broodje, er is geen krant. . . Hij wil op reis gaan, en denkt de trem naar 't station te krijgen . . . er is geen trein . . . Dan loopen maar, en naar den trein ... er is geen trein . . . Daar staat hij, hulpeloos, beroerd ... en dan misschien zal in zijn stompe brein de gedachte opkomen: „Al wat ik heb, al wat ik doe, kan alleen gebeuren door den arbeider, die voor mij sjouwt. . . Zonder hèm ben ik niets . . . mijn eten, mijn drinken, mijn huis, mijn bed, mijn vuur, mijn h'cht, alles, alles krijg ik van hèm ... en zonder hèm lig ik als een hulpeloos wicht te verhongeren en te verkleumen . . .

Sluiten