Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en haat keken zij naar de schitterende hofrijtuigen, die klaar stonden vóór den ingang, waar een baldakijn was opgericht van rood peluche met gouden koorden. De sierlijke statie-wagens blonken van goud en zijde en vernis. De prachtige luxe-paarden stonden ongeduldig, trots te trappelen in hun kostbare harnachementen, rijk met goud gemonteerd. — En superbe, met een suprème air-de-dédain, zaten de koetsiers op hun hooge, met zijden kleeden behangen bokken, plechtig als priesters onder hun driekanten steek.

Het was te bemerken, dat dit praal-vertoon het uitgehongerde grauw begon te irriteeren. Eerst zacht, toen duidelijk hoorbaar, toen al luider en luider gingen scheldwoorden op en verwenschingen.

„Slaven!" klonk het, „hebbe jullie je dikge-

vrete .... hebbe jullie je dikgezope belabberde,

lamlendige luiwammessen daar boven op die bok-

ke.... jullie hebbe 't goed, hé en wij kenne ver-

rékke als jullie 'm maar d'r tegen an kenne

gooie.... lammelingen de .pest zei je krijgen,

daarboven op je wagens luie loeders!... en

die knollen, die hebben 't verdomme béter dan wij.... wij benne ook maar mensche, en dat benne beeste.... die krijgen wel te vrète, en van 't beste, hoor! ze benne méér dan wij!...."

Zóó ging het door, al luider en luider, nü van

Sluiten