Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar klonk een hoog, snijdend gefluit, en daverend ratelde de koninklijke sneltrein over de hooge spoorbrug.

De kroonprinses Leliane was aangekomen . . .

Als door een tooverslag getroffen, stond de opdringende menigte stil. Het was, of een machtig, mystiek fluïde, uitgestraald van de majesteit der naderende vorstin, de dreigende drommen menschen magisch had bevangen. Plotseling werd het doodstil. Een ontzaglijk zwijgen broeide onder die duizenden, spannend als vóór een onweer. Het was misschien vrees, het was misschien woede, het was misschien bang voorgevoel van een vaag-vermoede catastrophe. En dit zware, drukkende zwijgen was ijziger, dan het oproerig rumoer van zooeven.

Dit duurde zoo een kwartier. Aller oogen waren gericht op de baldakijn vóór den ingang, vanwaar het angstig-verwachte moest komen.

Daar steeg een dof gemompel op uit de menschenmassa.

Licht, rijk, vroolijk en gezond verscheen de witte vrouwen-figuur onder de baldakijn. Zij lachte, onbezorgd, en praatte levendig met de van goud schitterende edellieden uit haar gevolg. Het was niets dan luxe en fonkeling en glans, wat daar was gekomen uit het buitenland in de lijdende, met honger en

Sluiten