Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niemand wist apart wat gebeuren zou en allen voelden het tóch te zamen.

Een luide, machtige stentor-stem verhief zich, hoog boven het rumoer. Het was Elias. Hij wilde spreken, het volk bezweren tot orde en kalmte. Hij begon te oreeren, met de kracht van de wanhoop, en zijn woord klonk als een trompet.

„Elias!... Elias!..." juichte het volk.

Maar de agenten, dol geworden van angst en verwarring door het plotseling uitgebarsten verzet, sprongen op Elias af, hem aanziende voor den hoofdman, die de revolutie ging prediken in dit hachelijke moment. Zij sleurden hem op den grond, als een gevaarlijk dier, sloegen hem, trapten hem, als om hem te verpletteren. Een gehuil van woede steeg op uit het volk, en in het volgende oogenblik was het oproer uitgebarsten, dat al die weken in Leliënstad had gebroeid. De agenten, die Elias hadden mishandeld, werden doodgeslagen als honden, het cordon, dat zij hadden gevormd, werd verbroken, en de bereden politie werd van het paard getrokken door honderden handen, nadat zij een vergeefsche poging had gedaan om te chargeeren. De brullende, huilende massa menschen drong al dichter en dichter om de koetsen van het hof. Er was nu geen tegenhouden meer mogelijk. Iedereen schreeuwde en krijschte, allen door elkaar. Steenen vlogen door de lucht.

Sluiten