Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds aanstonds allen nadruk leggen: Mad. Blavatsky mag met Jacob Böhme niet in éénen adem genoemd worden, al heeten beiden theosofen, en tusschen de mystiek van Maeterlinck en die van Ruysbroeck gaapt een wijde klove.

Overigens is de lectuur noch van de oude noch van de nieuwe mystieken gemakkelijk, zoodat, althans wat den uitwen digen vorm betreft, de overeenstemming onvoorwaardelijk moet worden erkend. Men mag glimlachen om de bepaling, die J. P. Lange gaf van de theosophie, nam. dat zij is »eine schwankende, unbestimmte und dunkle Vorstelling von einer schwankenden, unbestimmten und dunklen Art der Gotteserkenntnisz," maar het valt niet te loochenen, dat »de befaamde duisterheid" der mystieke schrijvers niet ten onrechte spreekwoordelijk is geworden. En waar wij, in de taal der scholastieken sprekend, onderscheid maken tusschen de accidentia, de in zekeren zin toevallige vormen, en de essentia, het wezen, der oude mystiek, daar valt het onmiddellijk in het oog, dat het accidens van het vage, duistere, onbepaalde en nevelachtige bij de nieuwere schrijvers allerminst ontbreekt. Het is dan ook inderdaad een teeken des tijds, dat de Delftsche studenten hun tijdschrift »In den Nevel" hebben betiteld. Stellig komt de bedoelde duisterheid ook voort uit het onderwerp, dat behandeld wordt; met de taal moet geworsteld worden om gedachten uit te drukken, welke voor die taal

Sluiten