Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begint te glanzen, en ons onderwijl voorbereiden op het gewijde schouwspel, gelijk het oog geduldig wacht op den opgang der zon. Noch door de verbeelding, noch door de redeneering, die zelf hare beginselen van elders moet betrekken, stellen wij ons de intelligibele wereld voor, maar door het vermogen, dat wij bezitten om ze te aanschouwen, het vermogen, dat ons veroorlooft er hier in deze wereld van te spreken. Wij dienen dus in ons zeiven dezelfde macht op te wekken, die wij in ons moeten opwekken, wanneer wij in de intelligibele wereld zijn. Zoo gelijken wij op den man, die, op den top der rots geklommen, met zijn blik de voorwerpen aanschouwt, welke onzichtbaar zijn voor degenen, die niet met hem zijn opgestegen.

Het oog — ik ga steeds door met citeeren, wijl, wat Maeterlinck zelf van de Neoplatonici aanhaalt, ons het beste inzicht geeft in zijn eigen mystieke theorie — verwijdert zich van het licht om de duisternis te zien en juist daardoor ziet het niet; want het kan de duisternis niet zien met het licht en toch ziet het niet zonder dat licht, zoodat het, niet ziende, zooveel van de duisternis ziet, als het van nature er voor vatbaar is om te zien.

Men zal deze dingen houden voor hallucinaties van van een monnik en koortsdroomen van een uitgevasten kluizenaar; zoo worden gewoonlijk de mystieken miskend, in wie alleen toch alle zekerheid is. Gelijk

Sluiten