Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al wat aan die ziel gegeven wordt, wordt door haar in schoonheid omgezet. Wie deze dingen niet verstaat, wie in zichzelf de bekoring der schoonheid niet ontwaart, voor hem is zij ook niet te vinden, daar hij ze zoeken zou met wat onrein en leelijk is. Vandaar, dat noch Plotinus, noch Maeterlinck voor alle menschen schrijven; hun woord bereikt alleen diegenen, die in zichzelven de schoonheid hebben herkend, en zich nu kunnen opheffen tot de herinnering der goddelijke schoonheid.

Tot zoover de Trésor des humbles, die ons in negentiende-eeuwschen vorm Neoplatonische philosophie brengt. De groote Plotinus is dan ook voor Maeterlinck van allen, die hij kent, degene, die het dichtst tot de Godheid is genaderd, en van den invloed der Oostersche mystiek valt bij den Vlaming weinig te bespeuren. Een enkele maal mag gezinspeeld worden op een volgende existentie, maar dit komt toch zoo zelden voor, dat het eigenlijk niet mede kan tellen. 1) Vooral merken wij op, dat de gedachte des lijdens hier niet op den voorgrond staat; dat hier wel is de poëzie der vrees, maar niet die der smart. Toch ontbreekt

1) Misschien heeft Hulsman gelijk, als hij bij „Les sept Princesses" denkt aan de Buddhistische optelling der zeven bestanddeelen van de menschelijke ziel, zooals zij ook bij Van Eeden gevonden wordt. In ieder geval, de gissing is vernuftig. Zie zijne opstellen over Maeterlinck in de Stemmen voor Waarheid en Vrede van 1900. bl. 347.

Sluiten