Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die toon niet geheel en dit kan moeilijk anders, waar aan het uitwendig leven alle wezenlijke waarde wordt ontzegd en dus eigenlijk het oordeel wordt geveld over de geheele zichtbare wereld als ware zij een wereld zonder waarachtige beteekenis.

Zoo ligt er een weemoedig waas gespreid over al die teere, fijne, drama's, die, juist omdat alle handeling er in ontbreekt en geen ontknooping volgt, feitelijk niet kunnen opgevoerd worden 1). De gansche menschheid gelijkt voor den dichter op die blinden (Les aveugles), die, van hun geleider verstoken, vruchteloos den uitweg zoeken uit het woud en niets anders kunnen dan smeeken »A.yez pitié de nous!"

C Die Oostersche invloed komt zooveel te duides lijker uit bij den tweeden dichter, dien wij noemden, onzen landgenoot Frederik van Eeden.

Wij zullen bij dezen overigens dezelfde gedachten terugvinden, die wij bij Schuré en Maeterlinck ontmoetten; alle drie, ieder in zijn eigenaardigen vorm, zijn ééns geestes kinderen. Wordt van Eeden

1) Terecht schreef L. Simons over een in Engeland mislukte opvoering van Pelléas et Mélisande: „Maeterlinck zoekt alleen de essence der gevoelingen en hartstochten;te geven; hij werkt met fijne aanduidingen en suggestieve toetsingen, daar hij van verwacht, dat ze in ons zullen gaan weerklinken.... 't Subtiele woord bleef hangen aan't grove doek; ridicuul werd de tegenstelling van de ijle tooneeltjes van den dichter, die even 'n stemming moesten eflleureeren, met de zware volle schermen."

Sluiten