Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Zoo moet gij bidden!" zeide toen Windekind."

Dezelfde vriendelijke geleider brengt daarop den kleinen leerling bij de kaboutertjes, waar hij kennis maakt met Wistik, die hem het boek der kruisspinnen voorleest en hem vertelt van dat geheimzinnige boekje, waar nauwkeurig in staat, waarom alles is, zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen. Niettegenstaande de waarschuwing van zijn gids, dat reeds zoo velen door Wistik vruchteloos aan het zoeken waren gegaan, niettegenstaande het verbod om verder aan dit boekje te denken, zoekt Johannes toch Wistik weder op — de drang naar kennis laat zich geene perken stellen — en hoort nu van den kabouter de tooverspreuk : Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het; lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg. De ongehoorzaamheid van Johannes wordt gestraft doordat Windekind hem alleen laat, in dien toestand wordt hij opgenomen door tuinlieden, die den Bijbel lezen, maar de Bijbel is het boek niet, dat hij zoekt. Aan het dochtertje des huizes, Robinetta, met haar roodborstje, vertrouwt hij al zijne geheimen toe; in haar huis binnengebracht, wordt hem weder diezelfde Bijbel gegeven, maar zoodra hij aanvangt hier zijn in zoo vreemde school opgegaarde wijsheid mede te deelen, wordt hem het verder verblijf ontzegd.

Sluiten