Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat zal de kleine onderzoeker verder doen? Wat kunnen de mensehen hem leeren? Wijsgeeren zijn immers menschen, die hun geheele leven niets anders doen dan zoeken om te weten waarnaar zij willen zoeken. Wie niets weet, is gelukkig; wie iets weet, is ongelukkig: zal niet gelukkig zijn ook, wie alles weet? Johannes verstaat de sprake des doods, die zegt: alleen door mij kunt gij het vinden. Ja, hij ziet Windekind, hem wenkend, in een bootje in de wolkengrot, Windekind met den dood. Daar treedt een ernstig man op hem toe, die zegt, dat hij inderdaad door met hen mede te gaan zal vinden, maar dat hij zelf zijn werk heeft in de groote menschenwereld. Johannes kiest; hij zal met dezen ernstige medegaan. Wie hij is? Johannes vraagt, of hij Jezus, of hij God is, maar ontvangt ten antwoord: «Noem die namen niet; zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrekleeden voor de dwazen. Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven."

In deze laatste woorden hooren wij reeds den mysticus spreken, die voortdurend aan het woord zal zijn in het groote reisverhaal, waarin de latere lotgevallen van den kleinen Johannes, nu Johannes Viator geworden, zijn medegedeeld. In zeven reis-

Sluiten