Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet zijn rakende handen in duisternis,

Het zijn geluidlooze tranen, vallend in grondloozen afgrond

Zwart, zij bereiken niet. ach! zij kunnen niet redden!

Wilt Gij dan niet onzer kinderen moeder zijn? —

Wilt Gij ons niet bergen in Uw levende, gloeiende Hart?

Gij zijt in ons het Zijnde, niet bedriegelijk,

En zooals Gij ons gedragen hebt, door de Uren, Uwe

[Eng'len,

Zoo zullen wij U dragen, onzen Vader, na der Eng'len dood, Na der Uren verscheiden."

Het duidelijkst echter komt Van Eeden's richting uit in zijn Lied van Schijn en Wezen, met o. a. dit motto uit de Rigveda: »das Auge gib unserem Auge, das Auge auszuschauen aus den Leibern." Ook hieruit willen wij eenige kenmerkende passages citeeren, die ons leeren, hoe onze pantheïstische dichter den schijn ons van het wezen doet onderscheiden.

Nu eens heet het, dat, waar alles voortdurend wisselt en vergaat, toch de harmonie, de richting, het getal blijft, en dat dit de waarheid, het wezen is; dan weder, dat die Richting niets anders is dan het willend Zelf. Onze zielen zwerven door het heden als kristalballons, alles rellecteerend, dragend de rellexie van het lijden, er zelf niet door aangedaan. Elke smet op den spiegel verandert het beeld, zoodat het zaak is hem onbesmet te

Sluiten