Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De voorliefde voor de primitieven hangt zeer zeker samen met den terugkeer der geesten naar de middeleeuwen, toen de kunst haar doel niet in zich zelve had, maar strekte om God en de Kerk te verheerlijken. Was nu in Haphael die kunst in zich zelf volmaakt geworden en troonde zij in eigen heerlijkheid, dan moeten wij tot vóór Raphael terug, tot den tijd, dat het naïeve geloof ook het penseel in dienst stelde van het groote levensdoel, waaraan men zich geheel, met alle vermogens van lichaam en ziel, had overgegeven, de eere Gods. Maar voorts is het vooral de eenvoud, de naiveteit, de kinderlijkheid van deze schilders, die den zoo weinig kinderlijken mensch der negentiende eeuw aantrekt 1). Men voelt hier de vrome toewijding, die niets gemaakts heeft, die het werkelijk bedoelt, zooals zij het met haar penseel uitspreekt. In een tijd van namaak gaat er bekoring uit van het echte, en in een periode, waarin men, moede van allerlei ongeloofstheorieën en in zekere nerveuze, overprikkelde spanning, zich inbeeldt weder vroom te

1) Verg. hier de schoone lezing van Dr. J. H. Gerretsen: Iets over Schilderkunst, opgenomen in de Stemmen voor W. en V. 1897 bl. 199233, waaraan ik ook voor het vervolg veel te danken heb.

Voorts verwijs ik naar het opstel van pater de Groot over „De mystiek van Fra Angelico" in De Katholiek CIX 209-235, waar deze primimitieve geteekend wordt als de schilder van de geestelijke schoonheid en het Christelijk zieleleven, die steeds het geestelijke door het stoffelijke deed uitstralen, en onder de geestelijke leiding van Thomas Aquinas alle gevaren der mystiek heeft overwonnen.

Sluiten