Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op een wandtafeltje begonnen flauwtjes zich de vormen te omtrekken van een keukenlampje zonder kap, het glas zwart gewalmd op de glazen peer, het blikken reflectortje zoo bevuild, dat het dofzwart zonder een enkel glimlicht daarstond in de schemering. Flauwe stank van petroleum, van vuil vaatwater, verwaarloosde gootsteen waderade in de ruimte.

De deur naar de achterkamer stond aan en het was daarbinnen, als in de gang, dezelfde bleeke binnenhuisstilte onder de vaalwolkende schemering, waarin de meubels zich met hun vorm en kleur nuchter hervonden.

Zwaar snorken in regelmatige grommingen ontrustte de stilte van-uit de halfopen alkoof, een zwarte diepte met schimmige lichtvlekken van de lampetkan of een opbulting van wit laken in de andere hoek. Maar in de vunze bedomptheid, doortrokken van tabakswalm en verzuurde bierlucht, voelde men het vol van zwaardierlijk leven, dat daar de nacht over had gekroeld.

En al die stilteruimten in de aanbleekende morgen, met het grofvvarme leven, broeiend in dat donker alkoofhok, schenen wel voor goed afgezonderd van de buitenwereld der straten, waar de trage Zondag nu eindelijk openging

Sluiten