Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn gewone kort-hatelijke lach. Maar hij zat toch al overend, zijn gezicht, van terzij een vage kleurvlek, bewegend in het schemerdoffe van die hoek. Zij zag zijn snorharen verward uitspieken naast zijn wang.

Toen deed hij zijn lange, grauwe onderbroekbeenen 't bed uit, langzaam, weerzinnig ze een voor een tillend onder de deken vandaan

en over haar heen.

— In Jesis naam dan, zuchtte hij... Medam is weer 's lui,... dan geeuwend, armrekkend hoog naast haar, die tot hem opzag:... hè... hè ö... ö... ö ... ö...

Zij zag hem door de deur van de alkoof, zijn lange figuur gaande in de grauwe dag van de achterkamer: een hark van 'n vent!... maar toch wel goedig... ja, as-i niet treiterde...

Genietend strekte zij het zware lijf in de weldadige bedwarmte, de armen om haar hoofd strengelend... Het ijzeren ledikant knarste.

— Moeder... moe... mag ik nou? klonk

de kindstem uit de> gang.

— Jawel... Kom maar ... nee... wacht nog effe... eerst mot je vader klaar zijn, riep zij terug in haar grof-grommend boersch geluid.

— Hè... moe... nou!...

— Ja, ja, ja! hoor... stil maar... blijf

Sluiten