Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn oogen werktuigelijk de bekende dingen opnamen: het vaal-stille gangetje, waar de Zondagsche looper, groen-rood-zwart, leidde tot 't voorkamertje met de deur half open, een doorzicht latend van klein interieur, bleekjes

en bekrompen.

Verhoef ging zich aan het raam zetten, in de krakende rieten stoel, legde de krant op zijn knie, maar draalde een pijp te stoppen, zijn denken nog bij wat hy in de achterkamer zooeven verlaten had. En terwijl zijn lange lijf stijfhoekig rechtop zat aan de hooge stoelrug, schoon zondagshemd krijtig plooiend over platte borst en schuine schouders, pezig-magere hals er boven uit, waarin de ademsappel telkens zichtbaar opschokte, was de zonderling vogelige kop, — steilharig, met groote. kromme neus en ronde vogeloogen, flauw van uitdrukking, — naar de straatdiepte gekeerd, volgend het stijvig-beenend voortschrijden der vele kerkgangers. De straat was er vol van, gelijk zij, in fluweel en deftig laken, daar achter elkander stoetend gingen, klein-roerig vóór de starheid der hooge huizen, de meesten in

dezelfde richting.

Een zwak gerucht klom er van op, van al dat gelijke gestap, en dan plots het fel toeslaan

Sluiten