Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo, terwijl haar oogen naar buiten keken, in 't schrei-bleeke buiten van grauwe regenlucht en vocht-zwarte takken, waarachter gelaten de overkanthuizen opstonden, nam zij telkens een lange slurp van de heete koffie, die zij klokslikkend omlaag spoelde, blies dan even in de gestaag ijl-opkrinkelende damp en slurpte weer, smakkend met de vochtroode lippen.

Door de zoetigheid en warmte voelde zij de wrevel wat opgelucht, die sedert de morgen haar drukte, als een balk dwars door haar hoofd.

't Was begonnen toen Dirk 'r geen thee op bed wou brengen. Daar had ze zich zoo giftig om gemaakt!. ... en toe dat lastige kreng van 'n kind, dat niet stil wou staan onder 't

wassche altijd maar spele en douwele

Ze had 'r ook goed wat gegeve .... maar dat had 'r niet opgelucht.... misschien was 't ook dat pestige weer, dacht ze, werktuigelijk roerend in de dikke boöm van suiker, die ze onder-in voelde,... en och Jesis! d'r was nog genog anders dat 'n mensch de pest in kon hebbe! ...

Wat was dat nou voor 'n leve, dat ze had... asje 't vroeger zoo anders gewend was geweest!... Ja, fatsoendelijk, dat was-i, Dirk, en zij was nou ook een fatsoendelijke getrouwde vrouw... Maar

Sluiten