Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lachte weer, half nijdig, half kittelig-lekker aangedaan door de brutaalheid yan het kind, waarvan ze 't soms prettig vond zoo de drift op te wekken. Net Raaf. . . dacht ze, daarbij nog onbewust tevreden dat ze niet van de taartjes hoefde af te geven.

En het derde roomhorentje tusschen haar breede lippen proppend, begon zij bij de gootsteen bezig te zijn, heet water gietend in een blikken omwaschbak, omtastend in de vatenrommel, dat de borden klikten, vorken en lepels dooreen kletterden.

Verhoef intusschen vouwde de ritselende krant weer in de plooien, stond van zijn stoel stijf-langzaam op, om zich geeuwend uit te rekken. Hij ( begon in 't kamertje op en neer te stappen. Hij verveelde zich, wenschte maar dat er koffie gedronken werd, maar durfde toch zijn vrouw niet te vragen, wel hoorend waar ze nu aan bezig was. Telkens op het eind van zijn drie stappen het raam toe, zag hij neer in de straat, waar, bij groepen of alleen, de kerkgangers al thuis gekomen waren. En terwijl hij zat te lezen, was hun praatgerucht, hun droog gestap, aansterkend en afzwakkend, vaag in zijn gehoor geweest. Nu nog maar enkele haastige nakomers, stijfjes in hun gladde Zondagsch goed en met

Sluiten