Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opschrok van het plots openen der voorkamerdeur. En hij zag meneer Frikkers, die zijn laarzen kwam binnen halen.

— Dag m'neèr! zei Verhoef.

— Goeie morge, meneer Verhoef... 't is anders al haast middag hè?

— Tja, 't loopt al aardig na half een, zou ik wel denke, m'neer.

— Zoo! ... zoo laat toch al ? zei de ander om iets te zeggen.

Hij was een forsche, goedgebouwde jonge vent, met een fiksch blond-blank gezicht, lichtblonde snor en blauwe stoutblinkende oogen. Terwijl hij zijn schoenen opnam en, de deur open, ze ging zitten aandoen, bewoog zijn vierkant breedgeschouderd lijf rustig-gewend in het korte jasje van ruige winterstof. Zijn groote blanke handen toonden een dikke zegelring aan de pink, nog een paar ringen aan andere vingers.

Terwijl hij zijn veters aantrok en strengelde, het roodig hoofd diep gebukt, zei hij losjesweg tot Verhoef, wiens gestalte onzeker draalde aan de open deur:

— Wat 'n zomerbui, hè.... zoo ineens!....

— Ja.... da's de zomer die nog in de lucht zit; kwam droog grinnekig, met een gedienstig accentje het antwoord.

Sluiten