Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een scharrelig verschuiven van stoelen en krakend stooten van de tafel.

En in 't gangetje tastend naar de trapdeur, kreeg ze haar stem eerst weer in bedwang, schold alles uit wat ze vinden kon, hoog krijschend het donker in.

— Gemeene schooier.... gemeene sodemieter ... tuig! . ... voor ik hier weer 'n poot zet!.. al smeekte je me op je bloote knieë... al verrekte je zoo voor me ooge, ik zou je niet oprape .... gemeene vuilik van een vent! En jij — tegen haar dochter — dat je met 'm heult, 't zal je d'r na vergaan! . ...

Honend riep Verhoef haar achterna:

— Toe zeg, moeder! kom je nou nog 's an?... Kom je nog 's een druppie hale?... we gunnen 't je graag! .. . . Dag halve kan! kan jenever! . .. . Pas op je hachie hoor!

Het gangdeurtje kraakte los en snel voor haar leeftijd stommelde 't oude wijf de duistere trap omlaag, terwijl die van boven haar nog iets hoorden krijschen van : vuile rotzooi, ik wou... De rest verklonk in Yerhoefs naschreeuwen en het trapgerucht.

Maar nu kon ook juffrouw Verhoef niet meer kalm blijven. In een ruk kwam ze van 't raam op, jachtig haar zware lijf stuwend door 't

Sluiten