Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zitte, waar je god noch goed mensch zag. 't Was toch schande!...

In wrokkig zwijgen, met harde, brutale bewegingen, stak ze daarop de lamp aan, en toen 't kamertje onder de zachtgelende glans was opgeleefd in zijn gebruikte wanorde, zag Verhoef — 't gordijn neerlatend, stoelen rechtzettend, bruin tafelkleedje gelijktrekkend — op haar gezicht dat 't weer mis was.

Het speet hem. Hij voelde zich juist zoo sentimenteel-aanhalig, behoeftig aan knus sameneens-zijn en hij had 'r nog van d'r moeder willen zeggen, hoe hij dat laatste fleschje, waarvan zij bykans niks hadden gebruikt, meer dan halfleeg had gevonden, toen-i zich nog 's inschenken wou.

En 't had 'm half geërgerd en toch doen grinneken van lach, terwijl hij zijn laatste glas naar binnen sloeg... Zoo'n loeder toch! zoo'n inhalig kreng! Dat had ze-n-'m in 't donker toch nog netjes geleverd! Je zou gedacht hebben, dat ze enkeld om d'r Manus dacht, maar jawel... hoor! zoo lang de borrel op tafel sting... En dat ze d'r niks van gemerkt hadde — geen van beie — Kato ook niet!... Of die wel? Hij had 't 'r graag eens gevraagd en d'r samen om gelache. Maar nou dorst-i niet...

Sluiten