Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn groot, rond vogelgezicht keek langs haar heen, verlegen en zorgelijk. Maar zij drong aan: daar kon-di wèl wat aan doen, as-ti maar wou... as-ti maar 's goed op 'r wou weze .. . nou 's verdomd goed op d'r wou weze... Ze had in de Gallerij zukke prachte van oorbelle gezien.. zükke groote met simili-diamant, maar net echt.. Hè toe! ze koste maar 'n riks ... dan had zij toch ook 's wat...

Zijn armen waren van haar afgevallen, weiger-schuddend zijn gezicht... Maar zij pakte hem vaster, zoende hem nu op haar beurt.

— Toe maar, hè ... dan bi-je mijn kerel, mijn lekkere vent... ja?

Nee, waarachtig niet, 't ging niet.... hij kon 't niet missen van de week . .. later misschien ... hij zou 's kijke.

— Hè toe nou! toe nou!... hè ?... toe! dan zalle we ... en met haar warme adem fluisterde zij aan zijn oor, waarop hij haar weer vastpakte, toch nog zijn hoofd schuddend, goedmoedig maar besloten: 't ging verdomd niet!

En ineens sprong zij, hem ruw afstootend, overeind.

— Och, verrek dan, lam mispunt! drifte zij op, haar dikke lippen kwaad samenpersend en met een korte schouderschok en haatblik uit

Sluiten