Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat was het Gemeentehospitaal en avond aan avond zag hy tegen donker-worden dat starre, sombere gebouw aan zijn vensters opkleuren in die gedempt-roodige schijn. Die bleef de avond lang en de heele nacht.

Terwijl alle licht doofde in 't rond, de lantarens eenzaam schenen, bleven die vele groote raamoogen roodgloeien, kalm-ros lichten in geduldige trouwe wacht, en menigmaal had hij gesoesd over hetgeen dit hooge breede gebouw borg achter zijn muren, te midden van dit drukgonzende centrum der stad. Dat waren zoovele levens-in-nood, elk zijn eigen kleine levenscentrum, middelpunt van vele verhoudingen en belangen. Het werd alles daar aangebracht, het een wist van het ander niet en de groote drukke stad wist niets van hen allen. Zoovele levensdrama's, niet zeer beteekenend of belangrijk, maar toch het een-en-al voor wien 't betrof, namen daar hun einde en zij waren alle eenzaam voor elkander en voor de buitenwereld Alleen zichzelf kenden en wisten zij en niemand anders en niemand wist van hen. En het groote sombere gebouw nam hen allen op en waakte de nacht uit, alsof het niet slapen noch rusten kon om zooveel geweten ellende.

Sluiten