Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenstroom meer verspreid langs de twee trottoirs en over de middenweg. De niet-wijde straat verlengde zich recht naar de verte, gezellig en feestelijk van licht tusschen de rijk stralende winkels.

Maar heviger dan op de kade was hier tusschen de echoënde wanden het rumoer. Hooge karren schokten zwaarraderend langzaam voorbij en de stap der groote schonkige paarden sloeg klikkend de steenen; rijtuigen ratelden in draf langs deze heen; vuile kerels met begroezelde gezichten en verwarde haren, trokken, aan zeelten over de schouders, zware tweewielige karren. Schuingebogen schokten zij moeizaam voort, schreeuwden rauw tegen wat hun in de weg liep ; nog enkele venters stelden hun platte wagens bij de trottoirrand, handelden in vlugge gebaren met twee, drie koopers, om de kar opmerkzaam staande, wierpen onderwijl hun zangerige keelklanken in de lucht tusschen de tallooze geluiden. En op de trottoirs trokken slenterend de paren — mannen en vrouwen, kinderen voortsjorrend aan de hand, — van winkel tot winkel, staarden en wezen en sjokten weer voort.

En hij ook onder dezen, nu verdoft van hoofd in dit schitterend, druischend leven, dat

Sluiten