Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen, onder het zwaarder dempende nachtuur, voelde hij rust en stilte in het huisje hoorbaar ademen, terwijl buiten alle leven scheen gedoofd.

Toen rinkelde de deur en de andere meid kwam binnen, achter haar een manspersoon, die zij, half omgewend, drong om binnen te komen. Maar hij, buiten de deur, scheen te weigeren en eindelijk sloeg zij driftigde deur dicht.

— O, daar is Anna . . . had Elly geroepen... nou ga rechtop zitten, laat ze ons zoo niet zien, jongen!

De meid, die rood zag in 't licht, ging door 't café en 't kamertje naar de achterkamer.

— Dag meheer ... o, dag juffrouw, ik zag u niet.

— Dag Anna.

Voor de deur van de achterkamer stond zij stil:

— Nou, wat zeg u daarvan! .. die sloome duikelaar, hij wou niet eens binnen komen, hij was zeker bang dat-i me tracteeren moest, zoo'n kale, dooie diender!...

— Ja, da's naar voor jou . .. antwoordde Elly onverschillig en geërgerd over die ruwe heftigheid in Bens bijzijn.

Weer ging de café-deur en „meneer" kwam binnen.

Sluiten