Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenige jaren gingen voorbij zonder dat in het dagelijksch bestaan en de huiselijke omstandigheden van de Meryans groote of ingrijpende veranderingen plaats grepen. Alles ging zijn gewonen gang. De kinderen werden ouder. Johan had het gymnasium verlaten en studeerde te Leiden in de rechten. Barthold, die technoloog zou worden, doorliep met de noodige vlugheid de verschillende klassen der Hoogere Burgerschool.

Reeds vóór deze scheiding tusschen de broeders had de bestaande verhouding zich grootendeels gewijzigd, in zooverre dat hun vroeger getwist en geharrewar langzamerhand ophield om plaats te maken voor een zekere onverschilligheid. Het verschil van leeftijd, voorheen van weinig beteekenis, deed zich sterker gelden in de jaren hunner ontwikkeling, en dit te meer wijl Johan's vroege levenskennis een steeds hoogeren scheidsmuur deed oprijzen tusschen hemzelven en den in elk opzicht zeer lang kind blijvenden Barthold.

Johan, bij het intreden der jongelingsjaren meer en meer komend tot het besef, dat het leven heel wat interessanter dingen opleverde dan het plagen en sarren van een jonger broertje, begon hem met die beschermende toegevendheid te behandelen, die het bewustzijn van eigen superioriteit hem ingaf. Als man tegenover een bizarren schoolknaap kon hij nog slechts de schouders ophalen over zijn absurditeiten en zonderlingheden, of glimlachen over de belachelijke ingenomenheid van zijn vader met den jongen — een ingenomenheid die, naar zijn meening, Barthold reeds als klein kind zoo onmogelijk had doen zijn. De oudste eerbiedigde zijn vader als de natuurlijke macht door het lot over hem gesteld, en naarmate hij de jaren des onderscheids naderde, en dus in staat was met de noodige practische helderheid om zich heen te zien, eerbiedigde hij hem tevens als een man van aanzien en fortuin, achtte hij het een voorrecht geboren te zijn als de zoon zijns vaders en Meryan te heeten, zijn blik omvattend alles wat aan het dragen van dien naam, en wat er alzoo bij behoorde, verbonden was.

Op zijn wijze was hij dus trotsch op zijn vader, al ging die trots vooralsnog gepaard met meer vrees dan genegenheid. De ijzeren tucht waaronder hij zich als kind had moeten krommen, liet, zelfs nu hij den mannelijken leeftijd bereikte, nog sporen na. Geen seconde in zijn leven had hij zich tegenover zijn vader volkomen op zijn gemak gevoeld, en ook nu nog was steeds zijn eerste opwelling alles wat hemzelf betrof voor hem geheim

Sluiten