Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hem af, zoodat hij hen kon bespieden achter zijn boomstam, zonder zelf opgemerkt te worden. Zijn oogen volgden hen dan ook in trillende spanning, totdat hij opeens bemerkte — of dit reeds vroeger geweest was wist hij niet — dat Karei zijn aim om haar heen hield geslagen. En op een gegeven oogenblik stonden zij stil en toen zijn hart hield letterlijk op te kloppen , toch bleef hij turen met zoo'n intensiteit dat er. zwarte stipjes voor zijn oogen dwarrelden.... toen bukte Karei zich en kuste haar!

Wel zag hij haar snel terugwijken, maar toch deed hij het nogmaals en nogmaals en zij liet het toe

En nu bespiedde hij hen niet langer, maar met een onderdrukten woede-kreet keerde hij zich om, loopend in de richting waar alles stil en eenzaam was, al sneller en sneller als een woest hollend dier, totdat hij in zijn vaart struikelde en bijna viel over de half ontbloote wortels van een mager ziekelijk kromgegroeid boompje, dat daar in den weg stond en naar eene zijde overhelde.

Aan dien misvormden stam klemde hij zich plotseling vast, slaande zijn nagels in de weeke schors als een tijger zijn klauwen, schuddend aan den boom met een bijna herculische klacht om hem te ontwortelen. Hij rukte en rukte met zoo'n hartstochtelijke razernij dat de wortels inderdaad scheurden en ki aakten. Toen boog hij het slachtoffer al dieper en dieper tot den grond, met zijn gansche zwaarte zich er op werpend, de tanden op elkaar geklemd, als ware het een levend wezen dat hij ten onder wilde brengen. En niet voordat een steunen, een wieed splijten van het jonge hout getuigde dat het de ondergane mishandeling nimmer zou te boven komen, niet voordat de boom als een ontzield wezen daar nederlag, richtte hij zich op om adem te scheppen.

Vuurrood van inspanning, de donkere haren tegen het verhitte voorhoofd gekleefd, speurde hij werktuigelijk rond als zocht hij een nieuw voorwerp waaraan zijn drift te koelen. En zoo, langzamerhand bedarend, voelend het frissche boschkoeltje tegen zijn kloppende slapen, zag hij nu pas weder het hem omringende, zag hij weder het zonnegetintel op de boomstammen, het vlammend grond-mozaïek, zag hij de blauwe doorschijnende libellen ronddartelen in den gonzenden gloed, hoorde hij het bedarend ruischen der boomkruinen en het gejubel der duizenden gewiekte woudkinderen hoog in het blauw. Als uit een benauwden droom ont-

Sluiten