Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meryan schudde geruststellend het hoofd zonder op te zien, en zijn vrouw ging heen.

Zijn pen kraste steeds voort. Wel keek hij nu en dan naar de pendule maar zonder eenige onrustige gewaarwording. Een jongen van achttien jaar zou in geen zeven slooten te gelijk loopen. Bovendien was het zijn principe iemand die binnen enkele maanden het ouderlijk huis voor goed ging verlaten als een man te beschouwen. Het eenige wat hem wel eens ten opzichte van Barthold bekommerde, was juist zijn te veel kind-zijn nog. Hij had hem uithuiziger gewild, zoekend de vermaken en verstrooiingen en desnoods de uitspattingen van andere jongelui van zijn leeftijd. Liever had hij hem berispt wegens aanhoudend te laat thuiskomen, zooals dat steeds met Johan het geval was geweest, dan hem zoo groen en onontbolsterd naar de academie te zien gaan. Hoe eerder een man het leven in zijn geheelen omvang leerde kennen — het leven met al zijn geheimen, zijn opgezweepte illusiën en ruwe neerploffingen, zijn hoogste hoogten en diepste afgronden, hoe beter hij, Meryan, het vond, omdat de ontvangen indrukken zich minder scherp en pijnlijk afteekenden op het nog ongevormd gemoed.

Op dit punt zijner overpeinzingen gekomen, legde hij werktuigelijk de pen neder, starend voor zich uit, ziende met oogen van ziel vroegere perioden uit zijn eigen leven, waarbij weer opdoemden tal van herinneringen die hem deden wenschen, dat Barthold anders ware dan hij was. De vrijheid had hem nimmer ontbroken, integendeel. De poorten van het leven hadden in de groote stad altijd zoo wijd mogelijk voor hem opengestaan, maaiden drempel overschreed hij niet. Al had hij meer vrienden of kennissen dan voorheen, al was hij opgewekter geworden, minder droomerig en afgetrokken, hij leefde toch zijn zwijgend gesloten eigen gemoedsbestaan, waartoe, nadat zijn kinderjaren waren voorbijgegaan, niemand toegang had.

Het openen en dichtdoen der voordeur, duidelijk in het stille huis hoorbaar, brak Meryan's overpeinzingen af. Hij keek naar de klok. Het was één uur.

„Ik zag licht branden is u nog op, vader?" vroeg Barthold

binnenkomend.

„Ja zeker. Ik had het erg druk van avond."

„Wat is het laat! Dat zie ik nu pas...." hij keek op zijn horloge, „het is zelfs nog later dan hier. Er is een geducht kabaal in de stad. Weet u nog van niets? Niet alleen de

Sluiten