Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Barthold in hevige gemoedsbeweging opstaande. „ Ik heb je mijn gedachten van den laat sten tijd nooit gezegd."

„ Alsof daar veel scherpzinnigheid toe noodig is!" zei Robert de schouders ophalend. „Als ik je den raad geef, wat ik al zoo vaak gedaan heb, nu eindelijk eens flink aan het werk te gaan, zet je het onverschilligste gezicht van de wereld en zegt: „ a quoi bon!"' en dat als men er een kop op nahoudt zooals jij! Toen begreep ik al dadelijk waar 'm de schoen wrong."

„ Ja natuurlijk zeg ik: a quoi bon!" viel Barthold eensklaps uit.

Waarom zou ik werken? voor wie? voor wat?"

„Voor jezelf altijd voor jezelf. Voor wien anders? Eerstens

om het genot van te werken, en vervolgens om naam te maken en je eerzucht te bevredigen."

„Naam maken! Voor wie? Om wellicht in de schatting te rijzen van die bewuste zeven achtsten waarvan je daareven sprak, en met wie ik niets gemeen heb! Dank je!"

„O! goede hemel, de kwaal zit al dieper dan ik dacht!" zei Robert die, quasi doodkalm, onder zijn half gesloten oogleden de stijgende nervositeit van den ander scherp opnam. „ Of liever — je bent veel zwakker van geest en karakter dan ik dacht. Je vader had dit bijtijds moeten inzien en je gewoonweg geloovig laten opvoeden. Hij had je zóó moeten steunen en schragen met alle mogelijke dogma's, dat je er in zat als een kind met zwakke ledematen dat in ijzers wordt gezet. Wie niet leven kan zonder een zekere dosis illusies vind ik een zwakkeling."

Barthold werd vuurrood. Robert zag dit en verheugde zich zoo goed te hebben gemikt.

„ Ik vind het geen zwakheid de heele wereld een armzaligen boel te vinden en te walgen van het menschdom, van mijzelven, van de vrouwen.... in een woord van alles!" zeide hij driftig.

„ Dat is juist zwakheid. Het zijn alleen kinderen die naar de maan grijpen en zich niet weten te vergenoegen met wat zij hebben. Si on n'a pas ce qu'on aime, enz. En waarlijk, met wat jij hebt, kan men zich vrij wel vergenoegen. Eigenlijk heb je zoowat alles! En dan hunker je nog naar ijdele herschenschimmen. Je bent doodziek, geloof me."

Barthold bleef zwijgend op en neer loopen, de oogen naar den grond gericht.

„Wil ik je eens wat zeggen?" hernam Robert na een pauze, „je bent bezig je vocatie mis te loopen. Je bent voor moralist in den wieg gelegd. Je hadt dominé moeten worden. Zulke we-

Sluiten