Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zag dien blik en ried ten naastenbij wat er in haar omging, maar het stuitte hem niet. Hij voelde alleen nog sterker dan te voren, dat zij den vogel van haar hoed had gerukt, niet omdat zij voor eenige verstandelijke redeneering vatbaar was, maar alleen om hem ter wille te zijn. En dit gaf hem een sensatie zoo vreemd, zoo nieuw, dat hij eenige seconden lang niet meer wist wat te zeggen. Intusschen keek hij naar haar, terwijl zij daar zat, blootshoofds, met den armen hoed op haar schoot, half verlegen, als een kind dat gestraft is en eigenlijk niet recht weet waarom. En plotseling verlangde hij niets zoozeer als nogmaals te ontmoeten haar oogen, die zij zoo hardnekkig bleef afwenden.

„U is immers niet boos op mij om wat ik daareven gezegd heb?"

Zij schudde zacht en treurig van neen zonder op te zien.

Maar eindelijk had zij iets in zijn toon gehoord juist dat

wat zij er in hoopte te hooren.

„ Maar mij spijt het nu, zoo te hebben gesproken."

En op het oogenblik dat hij dit zeide, dacht hij aan Robert. Wat zou die hem belachelijk hebben gevonden in zijn rol van zedepreeker tegenover dat beeldschoone schepseltje. En zou hij geen gelijk hebben gehad? Tezelfdertijd betrapte hij zich op allerlei krankzinnige invallen en wenschen.

„Vergeef het mij " hernam hij met steeds onvaster stem.

„ Ik bedoelde het eigenlijk zoo anders dan ik het gezegd heb."

„Ik heb u niets te vergeven," sprak zij langzaam opziende, als ketenend eenige seconden zijn blik aan den haren. „ Ik ben u dankbaar voor.... uw belangstelling. Ik zou alles willen doen om u een betere opinie van mij te geven dan u schijnt te hebben."

Met deze woorden wendde zij eensklaps schuw de oogen af, als ware haar iets ontsnapt wat zij volstrekt niet had willen zeggen, en stond nu in haastige verwarring overeind, zeggend dat zij weg

moest, dat Baby haar wachtte en in het volgende oogenblik

was zij verdwenen, terwijl Barthold met een kloppend hoofd en suizende geluiden in de ooren staarde naar de duiven zonder ze te zien. Want hij zag alleen die oogen met hun bruingouden tintelingen, die in hem waren gedrongen. En weder hoorde hij haar zeggen: „Ik zou alles willen doen om u een betere opinie van mij te geven dan u schijnt te hebben."

Hij herhaalde ze bij zichzelven telkens en telkens weer, zooals men een mooie pas gehoorde melodie herhaalt die men vreest te zullen vergeten.

Sluiten