Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om hem heen zag en hoorde en voelde als nooit te voren.

Door een opening van het geboomte zag hij rechts de Zandvoortsche duinen als versteende zeegolven badend in den terugkeerenden gloed, die naarmate het wolkenfloers zich opende, streek over de aarde als de zonnevleugelen van een reuzenvogel. En ook in zijn binnenste gloeide er iets van al dat wereldlicht rondom.

Wat was er toch veel te genieten en te bewonderen op aarde! Elk blaadje, elk grassprietje scheen te glinsteren van levenszaligheid, en ook in zijn eigen aderen tintelde een bestaanswellust, een blijheid van te zijn, als nooit te voren. Waarom kon de mensch niet leven bij het oogenblik, genietend de zuivere weelde van zinnen-impressies? De eeuwig-denkende, eeuwig-vragende en zoekende mensch was eigenlijk blind en doof voor de bekoring van het leven als leven — het genot van het ademen, het zich bewegen, het zien naar mooiheid, het luisteren naar klanken, het voelen van de streelingen van een koeltje. Dat was het eigenliik leven door de natuur geschonken. Zoo leefden de myriaden zichtbare en onzichtbare schepselen om hem heen en zoo moest ook de mensch leeren leven, meer naar buiten, meer ontvankelijk voor de wereld der zintuigen, minder zich opsluitend in de wereld der gedachte. Het was hem op eenmaal alsof hij dat voortaan zou kunnen, alsof er een nieuw, een ander levensgevoel in hem ontwaakte, een gevoel waarvoor hij dankbaar was als voor een gave welke hij tot dusverre gemist had, doch nu kon grijpen en behouden voor altijd.

Hoe lang hij daar lag te staren naar alles, naar het bewegelijk luchtspel, naar de blonde duinenreeks waarover nog altijd wolken-schaduwen streken, hij wist het niet. Het was langzamerhand stil geworden rondom, alleen de wind suizelde nu en dan in de boomkruinen, en in die stilte hoorde hij een nieuw geluid,

een geritsel Kon het een voetstap wezen ? Hij keerde zich

om en ziende wie daar naderde, wist hij op eenmaal wat

hem het laatste uur bezield had. Zij echter zag hem blijkbaar

uiet en kwam de koepel in en stond nu tegenover hem alléén

hem aanstarend met verschrikte oogen.

„ Is u hier ? "

Hij zag haar schuw terugdeinzen, hare versnelde ademhaling, en er ging iets in hem om, wat hij onmogelijk onder woorden had kunnen brengen.

Hij wilde intusschen iets zeggen, iets gewoons en alledaags,

Sluiten