Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Barthold was naar Delft teruggekeerd, en tot veler verbazing vertoonde hij zich daar onder een geheel ander aspect dan het vorig jaar. Vermijdend den kring zijner vroegere medestudenten, die hunne levenswijze van den afgeloopen winter getrouw bleven, sloot hij zich thans meer bij de ernstig studeerende groepen aan, leerde hij daaronder kennen individualiteiten, wier bestaan hij tot dusverre niet vermoed had, figuren die, hetzij afstootend of aantrekkend op hem werkend, hem weer nieuwe indrukken gaven, welke hij vaak met Robert besprak. Want zijn vriendschap voor hem verflauwde geen oogenblik. Bovendien kon hij met hem over Carla spreken. Zonder die veiligheidsklep voor zijn gevoel had hij, bij zijn wekelijksche reizen naar Amsterdam, het geheim wellicht niet zoo zorgvuldig voor een ieder kunnen verbergen.

Volop had hij genoten van Roberts ongeveinsde bewondering bij het zien van haar portret.

„Sapperloot, kerel! maar dat is een schoonheid!" had hij uitgeroepen en daarop met naïeve verbazing zijn vriend aangestaard, als zoekend op het ernstig droomerig jongensgelaat tegenover hem de verklaring van een onoplosbaar raadsel.

„ En zij heeft iets over zich, iets vreemds, magnetisch,

sfinxachtigs, zou ik haast zeggen. Met dat roodgouden haar en die zonderlinge donkere oogen. Zeg eens, jij hier, je houdt me voor den gek.... of wel de schilder heeft brutaal geflatteerd. Zulk haar heeft men niet in ons kikkerland. Goede hemel! als de eerzame Spaarne-stad meer dergelijke sirenen binnen hare muren herbergt, ga ik er morgen aan den dag heen. En welke schilder kan dat portret hebben gemaakt? Geen der onzen. Het heeft eerder iets van de wijze van doen van Benjamin Constant in zijn vrouwenportretten. Is dit nu werkelijk je aanstaande of is het een fantasie-kopje ? "

„Wie weet.... waarschijnlijk wel. Het zou anders al te onmogelijk zijn, denk je, met het oog op het onbehagelijke voorwerp harer affectie!"

En Barthold had een gelukkigen lach, die zijn gezicht deed stralen. Hij vond het juist zoo heerlijk te weten, dat zij niet zooals tal van andere jonge meisjes op uiterlijk lette.

Robert haalde de schouders op. „Waarom toch altijd zoo dwaas over je zelf te praten? Bovendien weet je wel dat zoogenaamde mooie mannen over het algemeen niet veel macht op

vrouwen oefenen, althans niet omdat zij mooi zijn tenzij

het met de geestelijke eigenschappen dier vrouwen al heel treurig

Sluiten