Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij was een frissche blondine, vrij gezet, met zeer kort geknipt haar, dat op een eigenaardige wijze steil overeind stond. Afschuwelijk was in zijn oogen dat ronde ragebol-kopje, ofschoon het haar mooi aschblond was en hij haar overigens niet leelijk vond, met haar vriendelijke gelaatsuitdrukking en de groote opwaartsziende blauwe oogen, die hem deden denken aan een oude gravure, St. Cecilia voorstellend, die thuis op de kinderkamer hing. Maar toch was het volgens hem alles even ergerlijk, én haar zijn daar ter plaatse, én het korte haar, én haar rustige manier van zijn, én de gesprekken die zij voerde! Waar hij stond, kon hij haar juist beluisteren. Zij had het nota bene over de gespannen verhouding tusschen de twee Delftsche studentenvereenigingen, de technologen en de indologen — een kwestie welke vele gemoederen bezighield, en waarin ook hij belangstelde. Maar de omstandigheid dat een vrouwelijk wezen over dergelijke dingen meesprak, weerhield hem zich mede in het gesprek te mengen.

. Hij wendde zich dus af en voegde zich bij eenige anderen. In welk een allerzonderlingste sfeer was hij hier aangeland! vroeg hij zich af, onwillekeurig denkend aan zijn eigen zuster en aan de meisjes die hij in Amsterdam kende en aan de réserve vol distinctie van zijn eigen Carla. En hoe verwonderlijk dat al die andere jongelui aan de abnormaliteiten hier in zwang volstrekt geen aanstoot schenen te nemen.

„ Meneer Meryan!" hoorde hij plotseling achter zich een welluidende meisjesstem zeggen, en zich snel omkeerend, ontwaarde hij met een zekere ontsteltenis, dat zij zelve tegenover hem stond, dat ook te dien opzichte in dit huis de rollen waren verwisseld en de dames de heeren kwamen aanspreken.

„ Ik geloof dat u juist een interessanten avond zult treffen.... en daar u voor de eerste maal bij ons komt, ben ik daar blij om. U moet weten dat "

Hier werd zij even gestoord door hare moeder, die iets vroeg wat haar toestemmend deed knikken: „Ja, mama, er is voor gezorgd." Daarna wendde zij zich weder tot Barthold, was echter blijkbaar den draad van haar discours kwijt, zoodat hij meende iets in het midden te moeten brengen.

„ Over deze Dinsdagavonden heb ik de jongelui dikwijls hooren spreken."

„Wezenlijk?" vroeg zij met een vroolijken jongen lach. „Dan mag ik zeker wel uit uw komst opmaken, dat zij er niet te veel kwaad van hebben gezegd."

Sluiten