Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hen, die te vergeefs zochten naar mooiheid op aarde, naar mooiheid onder de menschen en in de menschelijke verhoudingen onderling. Een Leopardi, een Schopenhauer, een Hartmann, zij hebben het pessimisme bijna tot een tak van wetenschap verheven. Een twintig jaren geleden nog telde het tal van adepten. Voor den hooger staanden, met grootere intensiteit gevoelenden individu lag er een bittere troost in het ontkennen van alles, in het zich rekenschap geven in volle klaarheid van den duisteren afgrond des levens, van het relatieve van alle verschijnselen. Men werd boeddhist, het Nirwana kwam weer in eere. Het enthousiasme van idealisten en maatschappelijke hervormers kon die klasse van denkers nog slechts een medelijdend schouderophalen, een: „Alles schon da gewesen!" ontlokken. Zij hoorden bijvoorbeeld socialistische theorieën verkondigen, en zij wezen op dergelijke toestanden in China zevenduizend jaren geleden. Zij hoorden spreken van communisme, en zij wezen op het communisme bij de Inca's in Peru, op het gemeenschappelijk grondbezit bij de oude Germanen en de nog bestaande Mirs in Rusland. Schoone, levenwekkende ideeën baanden zich een weg, en zij toonden, zwart op wit, dat hetzelfde reeds vijf eeuwen vóór Christus in het oude Hellas in veel rijkeren vorm was gezegd geworden. Men trachtte te betoogen, dat men met dat al toch was vooruitgegaan, dat de toenemende invloed der beschaving niet kon geloochend worden, en men wees op de beschaving in het oude Egypte, op de Alexandrijnsche bibliotheek, verwoest door de Christenen en Arabieren, waarmede wetenschappelijke rijkdommen waren verloren gegaan, wellicht die van heden verre overtreffend.

„En zij hadden gelijk. Dat pessimisme, die geestesverbittering was een bewijs hunner hoogere gevoelsbeschaving. Al vergaten zij dat de geschiedenis, waar zij zich herhaalt, dit doet onder steeds nieuwe vormen, waren zij volkomen gerechtigd te wanhopen aan alle toekomstdroomen van idealisten, want deze zweefden in de lucht, terwijl hun pessimisme de gansche wereldgeschiedenis tot uitgangspunt had. En hen verdroot die Sisyphusarbeid der elkaar opvolgende geslachten, die bij drie kwart van het menschdom de ruwe wreede oer-natuur onaangetast liet. Zij zagen dat ondanks allen materieelen en industrieelen vooruitgang, in de stegen en sloppen der groote steden de maatschappelijke modder zich ophoopte, steeds vuiler afzichtelijker lagen openbarend ondanks alle philantropische pogingen om dien modder uit te diepen.

Sluiten