Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hield in kleinen kring diep ingrijpende vraagstukken te behandelen. Wanneer enkelen zijner studenten als gasten bij hem aanzaten, vermeed hij het zelfs systematisch. Men had dit wel eens toegeschreven aan de vrees om in regeeringskringen van proselietenmakerij te worden beschuldigd en zijn positie in gevaar te brengen. In werkelijkheid was hij te wijsgeerig aangelegd, om ooit ijveraar te kunnen zijn en invloed te willen oefenen.

„Het universitair onderwijs," hernam hij, toen op zijn laatste woorden een stilte was gevolgd, „het universitair onderwijs levert — het moge paradoxaal klinken — een gevaar op voor de ontwikkeling der wetenschap zelve. En dat gevaar tracht ik zooveel mogelijk te bezweren, te neutraliseeren. De officieele staatswetenschappen hebben uit den aard der zaak een behoudend karakter, in de eerste plaats omdat zij belichamen de richting van het gewordene en bestaande, en ook omdat het universitair officieel onderwijs alleen dient de klasse die aan het gezag is, de klasse die haar in stand houdt, hare priesters aanstelt, en ook alleen die priesters zal aanstellen van wie zij weet dat geen gevaarlijke, hervormende, hare speciale privilegiën aantastende invloeden te verwachten zijn. Het zoo diep immoreele spreekwoord: „Wiens brood men eet, diens woord men spreekt!" is helaas ook hier van toepassing.

„ En dus staat zelfs in dezen tijd de wetenschap niet hoog genoeg, om zich aan den dienst van liet bestaande gezag te onttrekken?" vroeg Anna.

„ Hare priesters zullen niet bewust zich als slaven voor hun werkgevers buigen, kindlief. Juist het onbewuste speelt in al die zaken zoo'n groote rol. Er zijn tal van werkelijk goede, brave menschen, die alléén oogen en ooren en ook geestelijke zintuigen hebben voor wat niet met hun persoonlijke belangen in strijd is. Zelfs wij „ hoogleeraren" zeide hij met glimlachende emphase, „ zijn kinderen van onzen tijd, kinderen van den geest der eeuw en slaven van de nog zoo onbeschaafde maatschappelijke verhoudingen. In verband met onze persoonlijke kaïakterneigingen zullen wij dus, elk op onze wijze, de wetenschap dienen. Men kan en mag in ons vak zich bepalen tot het doceeren van wat is, zich afbakenen een bepaald terrein, zonder in speculatieve beschouwingen te vervallen. De van nature behoudzuchtige zal zich dus wel wachten de deur voor nieuwe stoute ideeën open te zetten. De van nature vooruitstrevende zal zijn onderwijs meer inrichten met het oog op de toekomst en trachten den weg van

Sluiten