Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veler trekken en het doffe geestelooze of woest-insolente der oogen onder de vaal-zwarte petkleppen, gevoelde Barthold geen walging als jaren geleden, toen hij het Amsterdamsche grauw in al zijn afzichtelijkheid had aanschouwd, maar alleen droefenis en

schaamte schaamte omdat hij zelf, welgekleed, goed gevoed

en verzorgd, in de volle, rijke ontwikkeling van geest en ziel en verstand, daar stond tusschen al die van hun eerste jeugd af lichamelijk en zedelijk en geestelijk vermoorden.... schaamte, omdat hij in deze ure zich sterker dan ooit bewust werd, dat al die hem omringende maatschappelijke slaven, geslacht na geslacht, geploegd en gegraven, geheid en gehamerd, gemetseld en gesmeed hadden, voortgezweept door den altijd dreigenden honger, om hem en zijn gelijken — de door het toeval der geboorte bevoorrechten — te verschaffen al datgene waarop hij voorheen zoo trotsch meende te mogen zijn.

Op een gegeven oogenblik zag hij dat Martalis op het podium hem wenkte. Hij ging naar hem toe, en de ander bukte zich over de bestuurstafel heen, fluisterend:

„Je staat daar zoo warm in het gedrang.... wil je niet liever hier komen? Je kunt best bij ons zitten."

Hij schudde van neen, en keerde naar zijn plaats terug. Hij, jong, sterk en gezond, zou op zijn gemak gaan zitten, terwijl die arme, afgematte kerels, die een dagtaak van zestien uren achter den rug hadden, den ganschen avond moesten blijven staan! Dat ontbrak er nog maar aan. En hij wilde ook niet ontvluchten de benauwde bedorven lucht die hem zoo hinderde, en het onmiddellijk contact met al die haveloosheid en armoede. Hij die zich eenmaal beklaagd had, dat de hoogere, fijner bewerktuigde menschensoort in de straten dezelfde atmosfeer moest inademen als „het gepeupel," wilde nu opzettelijk staan in hun midden, arm aan arm, deze kleine physieke overwinning op zichzelf beschouwend als een symbool van zijn toekomstige overwinningen in het aangezicht van de moreele walging, welke later wellicht hem zou bekruipen en waartegen Martalis hem niet bestand achtte.

Het duurde vrij lang alvorens de vergadering een aanvang nam. Men wachtte blijkbaar nog op den voorzitter. Barthold had echter te veel te zien en op te merken, om ongeduldig te worden. Bovendien had Martalis hem gewaarschuwd, dat juist hier, waar de groote meerderheid Rustin aanhing, een zeer moeilijke avond hem wachtte. En hij luisterde dus naar de gesprekken in zijn

Sluiten