Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

öf alles wat ik haar geleerd had aangaande goedheid en zachtheid en medelijden in duigen te werpen. En zóó gaat het den geheelen dag door; en nu is zij nog geen vier jaar! Zoo vraag ik me steeds af: moet ik die ontluikende kinderzieltjes leeren denken en gevoelen volgens onze levensbeschouwing, of moet ik hen harden tegen alles wat hen eenmaal zal wachten, afstompen de fijne voelhorens van hun bestaan, zooals dit in onze eigen jeugd geschied is, zij het ook zonder boos opzet en uit louter gewoonte? Want ik herinner me nog zeer goed uit mijn eigen kinderjaren, hoe ik langzamerhand en systematisch geleerd heb me te schamen over opwellingen van medelijden met menschen en dieren. Zoo sta ik dus voor een probleem, welks oplossing ik nog niet heb gevonden."

„En toch geloof ik, Mevrouw, dat u, zonder het misschien zelve te weten, reeds voor uw kinderen hebt gekozen. Ik geloof dat u hen liever wilt zien ondergaan dan zegevieren in een maatschappij als de onze. Christus werd immers gekruisigd! „Hut goddelijke in den mensch," las ik dezer dagen in het werk van een denker, „wordt door alle eeuwen heen gekruisigd." Wij moeten bijna hopen dat de gekruisigden velen zullen zijn."

Het binnenkomen der kinderen brak plotseling het gesprek ai, en weer hield Barthold zich geruimen tijd met hen bezig, totdat Martalis bij hem kwam.

„ Onze gastheer noodigt ons uit bij hem te blijven middagmalen, Meryan. Willen we maar eens heel indiscreet zijn en de invitatie aannemen ? "

„Dat vind ik prettig!" viel de jonge vrouw aanstonds bij. „U mag natuurlijk niet „ neen" zeggen. Straks zijn wij bovendien nog een onzer vrienden wachtende, zoodat u mij in mijn hoedanigheid van huisvrouw volstrekt niet in verlegenheid brengt."

„Wien wachtje nog?" vroeg Martalis, toen zij met de kinderen

de kamer verliet.

„Den secretaris van het Partijbestuur, dat vandaag hier in de stad heeft vergaderd.... Zaamstra, je kent hem wel?

„Ja zeker, ik meen hem zelfs te hebben gezien op de beruchte vergadering te Schoterveem. Hoe staat het met de afdeeling daai bij hem?"

„Slecht. Zij zijn nog niet wakker te krijgen, naar het schijnt. Zij hebben daar nog werkdagen van zestien uur met de jeneverflesch als eenige toevlucht natuurlijk. Hoe bij die arme wezens nog iets menschelijks op te wekken. Zij zien den patroon naar

Sluiten