Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij uit de verte met een soort van afgrijzen aanschouwen. Maar het verkiezingswerk, al het vergaderen en agiteeren daarvooi dat den stempel draagt van volkomen wettig en geoorloofd te zyn — dat moet hen wakker maken, daar moeten zij eindelijk wel aan meedoen, of zij willen of niet. Er gaat een opvoedende kracht uit van het besef, dat men eindelijk ook iets te zeggen krijgt in de maatschappij waarvoor men zich dood werkt, dat men ten minste een paar zelf gekozen mannen kan zenden naar de

Kamer naar een lichaam dat „Volksvertegenwoordiging' heet.

De arbeiders moeten zich zoo'n beetje kunnen wijs maken, da zij mede regeeren, al is er ook niets van aan.... want alleen het geld regeert op het Binnenhof, waar kapitalisten en aandeelhouders van Biliton- en suiker- en andere maatschappijen de buit onderling verdeelen. Maar de gedachte mede te handelen en iets te beteekenen, werkt al ontwikkelend. Zoodoende worden wij ten minste willende menschen, in plaats van geduldige afgebeulde

dieren zooals thans." .

., Juist, Zaamstra, dat is je overtuiging geweest van den beginne af aan!" viel Martalis in, „een overtuiging die eenigszins afwijkt van de onze, omdat wij wel degelijk meenen in het parlement de geldwolven te kunnen muilbanden. Jij bent dus tegenover Rustin gebleven wie je was en...besloot hij op den koel-satine en toon hem eigen, „ men kan toch niet van je vergen dat je een

windvaan bij eiken draai volgt!"

De grijze werkman zeide eerst niets, maar zag zijn jongen, vurigen partijgenoot aan, en in de doffe moede oogen fonkelde iets als een wegstervend zielevlammetje, nog even opflikkerend achter den grauwen mist des ouderdoms. Toen schudde hij het hoofd, als vergoelijkend hun jeugdig absolutisme.

„Nu zijt gij even onrechtvaardig tegenover Rustin als hij ne tegenover u beiden is, wanneer hij insinueert dat gij naar een kamerzetel zult gaan hengelen niet voor ons, ongelukkigen, maar eenvoudig uit eigenbelang, om de aangename en schitterende positie van parlementslid te bemachtigen. Dat is en blijft een zaak tusschen uw geweten en u, die nooit iemand zal kunnen uitmaken; en zoo ook is de overtuiging door hem beleden, een zaak tusschen hem en zijn geweten. Maar indien gij u ewus zijt zeiven eerlijk en loyaal te zijn, verdenkt dan een man ais Rustin ook niet van een laagheid! Hij is zoo goed, zoo groot geweest heeft zóóveel voor ons gedaan, had gehoopt zoo oneindig veel meer te kunnen doen, dat vooral! Ofschoon ik beken hem

Sluiten