Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet altijd te begrijpen, ik blijf maar steeds zeggen.... er kan zooveel in een mensch omgaan.... laten wij dus niet ooideelen, als wij niet alles weten."

Barthold zat sprakeloos te luisteren. Hij dacht aan Schoterveem, aan die woeste, rumoerige vergadering, waar de felle botsing der hartstochten hem gerevolteerd had, waar hij had geoordeeld en veroordeeld met scherpte, zonder iets te weten of te kennen van al die hem vreemde menschen, die individueel wellicht dezen man nabij kwamen. Want voor het eerst van zijn leven stond hij nu tegenover een der armste daglooneis als mensch tegenover mensch, bevond hij zich op een voet v an gelijkheid met een dier millioenen arbeids-werktuigen, die alleen schenen geschapen om hem, Barthold Meryan en dezulken als hem, het verblijf op de wereld aangenaam te maken. En die arme daglooner, die zeker nooit van een mevr. de Staël gehooid had, sprak een woord dat alle levenswijsheid resumeerde — een woord, dat tevens samenvatte al zijn eigen laatste perplexiteiten aangaande de ondoorgrondelijke raadselen van het enigma. Mensch.

In dit armzalig menschenwrak huisde dus een individualiteit, dacht hij bij zichzelven, en de bezitter van die individualiteit had van het leven, het volle mooie rijke leven, nooit iets anders gezien dan een gloeiende smidse en het aanbeeld waarop de trillende spieren werden gegeeseld, veertien en zestien uren daags, had in zijn leven geen andere rust en ontspanning gekend dan de ïust van het vermoeide dier in een of ander onmogelijk krot, waar hij na volbrachte dagtaak half versuft zijn leden kon uitstrekken. Want dat zóó zijn bestaan was geweest, scheen elke groeve, elke rimpel, elk litteeken, elke vertrokken spier, elke beweging van het stramme, afgetobde lichaam hem toe te schreeuwen.

Hij wendde zich plotseling tot den ouden man, en vroeg met al den eerbied dien de majesteit van het ongeluk iemand kan afdwingen:

„Mag ik u eenige vragen doen?"

Zaamstra kon zich in den toon, in de houding van den jongen man niet vergissen. De doffe oogen, waterig tusschen de ontstoken oogleden, zagen hem strak aan.

„Zooveel gij wilt," klonk het antwoord.

„Hoe oudt zijt gij?"

„ Acht-en-veertig jaar."

Barthold maakte onwillekeurig een beweging. „Dus zes jaren

Sluiten