Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij zult u wel niet verbeelden, niet waar, meneer Meryan, dat het lot van een smidsknecht in Nederland het ërgste weergeeft, wat er onder arbeiderstoestanden bestaat?" Zijn toon klonk thans bitter, en hij lachte met scherp sarcasme. „Als gij een enquête wilt instellen, vraag dan eens naar de toestanden in de glasblazerijen en alkali-fabrieken en loodwit-fabrieken en aardewerkfabrieken, naar het bestaan en de loonen van spijkermakers en kettingmakers en wolkaarders, naar het bestaan van vrouwen, die in Engeland veertien uren per dag kettingschakels maken voor zes shilling in de week, van vrouwen, die, slavinnen van het zweetsysteem, èn bij ons te lande, èn elders, tachtig cents naaigeld krijgen voor een dozijn hemden en twaalf cents voor twaalf boezelaars. Bij al die ongelukkigen vergeleken, zijn wij smeden de rijkaards, de vetgemesten onder de arbeiders!"

„ Ik kom u uit naam van mijn vrouw vragen aan tafel te verschijnen!" kwam Thornton thans zeggen. Hij was de laatste oogenblikken de kamer uitgegaan, terwijl Martalis zwijgend het gesprokene had aangehoord.

Aan dit verzoek werd dadelijk gevolg gegeven, en weldra zat Barthold met de anderen, in een klein achterkamertje, om een groote eenvoudig gedekte tafel. Het kindermeisje zat mede aan, en nadat, als eerst vegetarisch gerecht, gortensoep was genuttigd, hielp Mevrouw Thornton zelve het meisje de verdere gerechten: aardappelen, groenten en rijst opdragen. Zaamstra zat tusschen gastheer en gastvrouw, en Barthold, die dit middagmaal onder deze omstandigheden als iets zeldzaam belangwekkends in zijn leven beschouwde, en tegen zijn gewoonte in op alles acht sloeg, bewonderde de tact en de kieschheid waarmede beiden zoo ongemerkt mogelijk Zaamstra's tallooze zonden tegen de tafel-etikette wisten te verbloemen. De oude man was zoo scheef en gekromd, dat hij zelfs de grootste moeite had tusschen de anderen in te zitten, maar de wijze waarop hij, met zijn elleboog op tafel geleund , o. a. het eten met een langen vork als uit een diepen vaas oppikte, kon hem geen glimlach ontlokken.

Hij had alleen oog voor den verborgen tragischen achtergrond van wat hij bijwoonde. Het geheele wezen van (Tien achtenveertigjarigen grijsaard belichaamde voor hem den ondergang, physiek en moreel, van millioenen menschelijke schepselen op aarde.... en dat alles in naam van het Individualisme! Hij die daar zat lichamelijk verwoest, was geweest te krachtig van geest om moreel onder te gaan. Maar juist die kracht, die fijnere bewerktuiging

Sluiten