Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te probeeren een stevig letterslot van een brandkast met behulp van redeneeringen open te maken. Men meent, onnoozel genoeg, altijd eens anders hersenen met woorden te kunnen openen, maar juist dat is onmogelijk. Eerst moet je den sleutel hebben die er op past, en die heb je niet, want dan zou je eerst op dezelfde wijze moeten voelen als hij, en onder dezelfde omstandigheden hebben moeten leven en groeien. Een wezen als jij, een in zijn dogma's en zijn brandkast-philosophie verroest liberaal als je vader, en een scepticus als ik, gaan van een zoo verschillend standpunt uit en bewandelen zulke uiteenloopende geestespaden, dat wij een jaar lang zouden kunnen discuteeren, zonder elkaar ook maar één stap nader te komen."

„Toch zal ik het beproeven!" had Barthold gezegd, die, bij Robert's zinspeling op „brandkast-philosophie", pijnlijk was ineengekrompen, en toen eens en vooral die eene gedachte als afschuwelijk had verworpen. En hij zou het beproeven zoodra mogelijk. Want nu toch eenmaal van zijn lippen moest de verklaring, dat hij, Barthold, zijn vrienden noemde hen, die zijn vader als misdadigers betitelde, nu toch eenmaal die ontzettende ure moest worden doorgeworsteld, zag hij er naar uit zooals een zieke naar een verschrikkelijke operatie uitziet, die hem genezing moet brengen.

En thans, voor de eerste maal, in die dagen van spanning, gevoelde hij zich te midden der zijnen als een eenzame, zocht hij met een soort van heimwee naar den steun, de sympathie van een vrouw in zijn eigen omgeving. Hij dacht aan Mevrouw Denners, zoo moederlijk, zoo meevoelend met hem en met allen, en die, als hij iets zeide, hem soms begreep nog vóórdat hij zichzelf geheel en al begreep. Hij herinnerde zich haar handdruk zoo hartelijk, zoo bemoedigend, toen hij haar nu onlangs voor eenige maanden had vaarwel gezegd, haar meedeelend zijn plan met zijn vader te spreken.

„ Ik begrijp die behoefte om te getuigen van je geloof," had zij gezegd, „maar vergeet nooit, Meryan, dat ook hij eenmaal getuigd heeft in zijn jongelingsjaren, en dat elke overtuiging die waarachtig

is, eerbied verdient. En hecht ook niet te veel aan een woord

dat doet de jonge ijveraar soms te veel. Wat men is beteekent immers meer dan hoe men zich noemt."

Hij was haar zóó dankbaar geweest voor die woorden, die zoo waardeerend klonken voor zijn vader, en die hem moreel zouden steunen in den strijd die hem wachtte. Maar hij hunkerde naar

Sluiten